Soms is het nodig om de oppervlakte van een voorwerp te berekenen, bijvoorbeeld als je een vloer wil gaan leggen in je huis en moet weten hoeveel tapijt je daarvoor nodig hebt.
Het is dus erg handig om uit te kunnen rekenen hoeveel oppervlakte een voorwerp heeft. De meeste mensen hebben vroeger op school wel geleerd hoe dit moet, maar deze kennis gebruikt natuurlijk niet iedereen elke dag. Hieronder volgt een korte uitleg om de oppervlakte te berekenen voor verschillende vormen.

Oppervlakte van een vierkant

Kenmerkend aan een vierkant is dat alle zijden even lang zijn. Het is dus even breed als hoog. Om de oppervlakte hiervan uit te rekenen, vermenigvuldig je de lengte met de breedte. Bijvoorbeeld: een vlak van 60 centimeter breed en 60 centimeter hoog, heeft een oppervlakte van 60 keer 60 = 360 cm2.
Voor een rechthoek geldt dezelfde formule, alleen dan zijn de zijden natuurlijk niet even lang.

Oppervlakte van een driehoek

Eigenlijk is een driehoek de helft van een rechthoek. Om de oppervlakte te berekenen, vermenigvuldig je de zijden met elkaar en halveer je de uitkomst.
Dit kun je ook weergeven als de volgende formule: Oppervlakte driehoek = 1/2 x basis x hoogte. De basis van de driehoek kun je zien als de breedte. De hoogte van de driehoek is de afstand tussen de basis van de driehoek en het hoogste punt van de driehoek. Deze lijn noemen we ook wel de loodlijn.
Stel dat een driehoek 10 centimeter lang is en 15 centimeter hoog. De oppervlakte is in dit geval 1/2 x 10 x 15 = 75 cm2.

Oppervlakte van een cirkel

De oppervlakte van een cirkel bereken je ook met een formule. Dit kan op twee manieren.
Manier 1. Als je de straal van de cirkel weet, kun je de volgende formule gebruiken.
Oppervlakte cirkel = straal^2 x π. π is het symbool voor pi, oftewel 3,141592…
De straal is de afstand van het middelpunt van de cirkel tot de rand.
Voorbeeld: je wil de oppervlakte van een bierviltje weten. De straal van het viltje is 10,5 cm. De oppervlakte is dus 10,5^2 x π = 346,46 cm2.
Manier 2. Als je de diameter van de cirkel weet, kun je de oppervlakte van de cirkel utrekenen door middel van de formule diameter^2 x π / 4. De diameter van de cirkel is de afstand tussen de randen, dus de breedte van de cirkel.
Voorbeeld: de diameter van de cirkel is 40 cm. De oppervlakte is dan 40^2 x π / 4 = 1256,6 cm
Manier 3. Als je de omtrek van de cirkel weet, kun je terugrekenen naar de diameter. De diameter is namelijk de omtrek / π. Als je de diameter weet, kun je verder met de formule van manier 2.