Besluit van 11 januari 1999, houdende regelen inzake bedrijfsmatige verkoop, aflevering en inbewaringneming van honden en katten (Honden- en kattenbesluit 1999)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 17 juli 1998, no. J. 986550, Directie
Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid,
onderdeel f, 38, 45, 55, 56, 65 en 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor
dieren;
De Raad van State gehoord (advies van
5oktober 1998, no. W11.98.0346);
Gezien het nader rapport van Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 4januari 1999, nr.
TRCJZ/1998/2204, Directie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a.
Inrichting: bedrijfsinrichting, asiel of pension
b.
Bedrijfsinrichting: een perceelsgebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt
voor het houden van honden of katten ten behoeve van fokdoeleinden of voor het
houden van honden of katten ten behoeve van verkoop of aflevering:
c.
asiel: een perceelsgebonden ruimte of
ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honen of katten die
zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand
is gedaan
d.
pension: een perceelsgebonden ruimte of ruimtes, niet zijnde een asiel, bestemd
of gebruikt voo het in bewaring houden van honden of katten;
e.
quarantaineruimte: een volledig
afgescheiden onderdeel van een inrichting, bestemd voor het onderbrengen van
dieren die mogelijk met een besmettelijke ziekte of parasiet zijn besmet, dat
zodanig luchtdicht afsluitbaar us dat gasontsmetting kan worden uitgevoerd, dan
wel op andere wijze deugdelijk gedesinfecteerd kan worden;
f.
ziekenboeg: een onderdeel van een inrichting dat bestemd kan worden voor het
onderbrengen van zieke dieren;
g.
beheerder: degene die onmiddellijk leiding geeft aan de in artikel 2, eerste lid
bedoelde handelingen
§
2. Het bedrijfsmatig verkopen, afleveren, in bewaring nemen of fokken van honden
katten
Artikel 2
1.
Het is verboden honden of katten te verkopen, ten verkoop in voorraad te hebben,
af te leveren of in bewaring te nemen, of te fokken ten behoeve van de verkoop
of aflevering van de nakomelingen, tenzij daarbij wordt voldaan aan dit besluit.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing Wanneer degene onder wiens
verantwoordelijkheid de in het eerste lid bedoelde activiteiten worden verricht,
aannemelijk maakt dat er bij de uitoefening van die activiteiten geen sprake is
van bedrijfsmatig handelen.
Artikel 3
1.
De in
artikel 2, eerste lid, genoemde activiteiten worden verricht in een bij Onze
Minister als zodanig aangemelde bedrijfsinrichting, asiel of pension.
2.
De honden of katten die worden gehouden ten behoeve van de in
artikel 2, eerste lid, genoemde activiteiten worden in een inrichting als
bedoeld in het eerste lid:
a.
gehuisvest, voorzover van toepassing, overeenkomstig de artikelen 8 tot en met
16 en
b.
verzorgd overeenkomstig de artikelen 17
en 18
§ 3. Aanmelding en registratie van de
inrichting en vakbekwaamheid van de beheerder
Artikel 4
1.De
aanmelding van een inrichting, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, geschiedt door degene onder wiens
verantwoordelijkheid in die inrichting de in
artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten worden verricht.
2.
De aanmelding geschiedt door middel van Wanneering bij Onze Minister van een
volledig en naar waarheid ingevuld aanmeldingsformulier en bevat de volgende
gegevens:
a.
naam, geboortedatum en adres van degene onder wiens verantwoordelijkheid de in
artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten worden verricht, dan wel, Wanneer
die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een
rechtspersoon, naam, geboortedatum en adres van de leden van het bestuur van de
rechtspersoon alsmede de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon;
b.
adres van de bedrijfsinrichting, het
asiel of pension;
c.
naam, geboortedatum en adres van de
beheerder, bedoeld in artikel 7, en het tijdstip waarop met de uitoefening van
de activiteiten wordt gestart.
Artikel 5
1.
Onze Minister registreert binnen 4 weken na ontvangst van het in
artikel 4, tweede lid, bedoelde aanmeldingsformulier de inrichting als
bedrijfsinrichting, asiel of pension. Bij de registratie wordt aan de inrichting
een uniek nummer toegekend.
2.
De in het eerste lid bedoelde
registratie alsmede de in
artikel 4, tweede lid, bedoelde gegevens, worden door Onze Minister
opgeslagen en beheerd in een centraal register.
3.
Binnen 4 weken nadat de in het tweede
lid bedoelde registratie heeft plaatsgevonden, verstrekt Onze Minister aan
degene die de inrichting heeft aangemeld een aanmeldingsbewijs, dat de volgende
gegevens bevat:
a.
naam, geboortedatum en adres van degene die de inrichting heeft aangemeld, dan
wel, Wanneer de aanmelding is gedaan door of namens het bestuur van een
rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon;
b.
tijdstip van aanmelding van de
bedrijfsinrichting, het asiel of pension, en
c.
het registratienummer van de inrichting.
Artikel 6
1.
Bij wijziging van één of meerdere van de
in
artikel 4, tweede lid, bedoelde gegevens, wordt binnen 4 weken na het
optreden daarvan aan Onze Minister melding gemaakt door de degene die na het
intreden van die wijziging of wijzigingen op de inrichting verantwoordelijk is
voor de in
artikel 2, eerste lid, genoemde activiteiten.
2.
De in het eerste lid bedoelde wijziging
of wijzigingen worden binnen 4 weken na de aanmelding daarvan door Onze Minister
in het in
artikel 5, tweede lid, bedoelde register verwerkt. Slechts Wanneer een
wijziging betrekking heeft op gegevens als bedoeld in
artikel 5, derde lid, verstrekt Onze Minister binnen 4 weken nadat de
registratie van de wijziging of de wijzigingen heeft plaatsgevonden aan
betrokkene een aangepast aanmeldingsbewijs.
Artikel 7
1.
Op de inrichting is een beheerder werkzaam die in bezit is van een, in het kader
van het onderhavige besluit, door Onze Minister bij ministeriële regeling erkend
bewijs van vakbekwaamheid.
2.
In afwijking van het eerste lid is het vanaf het tijdstip dat de beheerder,
bedoeld in het eerste lid, niet meer of niet meer als zodanig op de inrichting
werkzaam is, voor een periode van één jaar toegestaan dat op de inrichting geen
beheerder als bedoeld in het eerste lid werkzaam is, mits daarvan binnen 4 weken
na eerstgenoemd tijdstip aan Onze Minister melding wordt gemaakt door degene die
op de inrichting verantwoordelijk is voor de in
artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten.
3.
Bij overlijden van de in het eerste lid
bedoelde beheerder is het tweede lid van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat, Wanneer de overleden beheerder tevens verantwoordelijk was voor de
ingevolge
artikel 2, eerste lid, bij Onze Minister aangemelde activiteiten die op de
inrichting worden verricht, en die activiteiten onder verantwoordelijkheid van
de erfgenaam of de erfgenamen van die beheerder op de inrichting worden
voortgezet, in dat lid in plaats van «één jaar» wordt gelezen: drie jaar.
§
4. Huisvesting en verzorging
Artikel 8
1.
De inrichting beschikt over binnenverblijven.
2.
Wanneer in de inrichting honden worden gehouden beschikt de inrichting over één
of meerdere buitenverblijven of over een speelweide.
3.
Een binnen- of buitenverblijf voldoet
aan de volgende eisen:
a.
de vloer, de wanden, de hekken of de
afrasteringen zijn vervaardigd van zodanige materialen dat de honden of katten
zich er niet aan kunnen verwonden en zich er niet door kunnen vergiftigen;
b.
de vloer is van vloeistofdicht en stroef
materiaal;
c.
het heeft rechtsopstaande wanden,
waarvan tenminste één zodanig is gecontrueerd dat de honden of katten buiten het
verblijf kunnen kijken, en het kan worden afgesloten.
4.
een binnenverblijf voldoet voorts aan de
volgende eisen:
a.
het is vorstvrij, tochtvrij alsmede
droog;
b.
het kan op afdoende wijze worden
geventileerd;
c.
het kan door middel van een elektrische
lichtinstallatie worden verlicht;
d.
het is gedurende de periode dat daglicht
beschikbaar is voldoende verlicht door middel van daglicht, en de temperatuur in
het verblijf bedraagt ten hoogste 30 graden Celsius.
5.
Tenzij een buitenverblijf in een open
verbinding staat met een binnenverblijf, is een buitenverblijf gedeeltelijk
overdekt met een overkapping, die afdoende schuilmogelijkheid biedt tegen
neerslag en voldoende schaduw biedt.
6.
Een speelweide voldoet aan de volgende
eisen:
a.
zij maakt deel uit van de inrichting;
b.
de omheining daarvan is van zodanig
materiaal dat de honden zich er niet aan kunnen verwonden en zich er niet door
kunnen vergiftigen, en zij kan worden afgesloten.
7.
Wanneer de inrichting beschikt over één
of meer buitenverblijven waarin katten worden gehuisvest, is het vijfde lid op
het buitenverblijf van overeenkomstige toepassing.
1.Een
inrichting beschikt over één of meer ziekenboegen waarin één of meer
binnenverblijven zijn aangebracht, die in totaal tenminste ruimte kunnen bieden
aan een tiende van het aantal honden of katten dat in die inrichting is
gehuisvest.
2.Een
ziekenboeg kan, ter voorkoming van besmetting, worden afgescheiden van overige
binnenverblijven.
Artikel 10
1.Een
asiel beschikt over één of meer quarantaineruimten waarin binnenverblijven zijn
aangebracht, die in totaal tenminste ruimte kunnen bieden aan een tiende van het
aantal honden of katten dat in die inrichting is gehuisvest.
2.
De quarantaineruimte is zodanig
ingericht dat onderlinge besmetting van de daarin gehuisveste honden of katten
worden voorkomen.
Artikel 11
1.
Honden en katten worden niet bij elkaar
in één binnen- of buitenverblijf gehuisvest.
2.
Wanneer meer dan één hond in de
inrichting aanwezig is, worden tenminste twee en ten hoogste 20 honden bij
elkaar in één binnen- of buitenverblijf gehuisvest.
3.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de huisvesting van katten.
4.
Iedere hond of kat heeft in het binnen-
of buitenverblijf, tenzij dit om gezondheidsredenen van de hond of kat niet
verantwoord is, direct en voortdurend toegang tot een zindelijke
drinkgelegenheid waar vers drinkwater voorradig is.
Artikel 12
1.
Een binnen- of buitenverblijf waarin
honden worden gehuisvest heeft een hoogte van tenminste 1,8 meter.
2.
De voor de honden beschikbare
vloeroppervlakte in vierkante meters in het binnen- of buitenverblijf is voor
honden met een schofthoogte:
a.
tot o,3 meter, tenminste gelijk aan het product van (1+n) en 1,0;
b.
vanaf 0,3 meter tot 0,5 meter, tenminste
gelijk aan het product van (1+n) en 1,2;
c.
vanaf 0,5 meter, tenminste gelijk aan het product van (1+n) en 1,5;
d.
waarbij de kortste zijde tenminste 1,0
meter is, voorzover het de honden als bedoeld in onderdeel a betreft, en
tenminste 1,2 meter voorzover het de honden als bedoeld in de onderdelen b en c
betreft en waarbij de letter n staat voor het aantal honden met de
desbetreffende schofthoogte dat bij elkaar in het binnen- of buitenverblijf is
gehuisvest. Wanneer honden van verschillende grootte bij elkaar worden
gehuisvest, wordt voor de berekening van de beschikbare vloeroppervlakte de
schofthoogte van de grootste hond gehanteerd.
3.Het
tweede lid is van overeenkomstige toepassing op:
a.
de totale voor honden beschikbare
vloeroppervlakte in een aan elkaar gekoppelde binnen- en buitenverblijf van een
asiel of pension, Wanneer er voor de honden een open verbinding is tussen het
binnen- en buitengedeelte van het verblijf en de beschikbare vloeroppervlakte in
het binnengedeelte van het verblijf tenminste 2,25 m2 is;
b.
de voor de honden beschikbare
oppervlakte van de speelweide, bedoeld in artikel 8, tweede lid.
Artikel 13
1.
De voor de katten beschikbare ruimte in
het binnen- of buitenverblijf is tenminste:
a.
0,85 m2 aan vloeroppervlakte Wanneer twee katten bij elkaar worden gehuisvest,
waarbij de kortste zijde tenminste 0,65 meter en de hoogte van het binnen- of
buitenverblijf tenminste 0,6 meter is;
b.
3 m2 aan vloeroppervlakte bij
huisvesting van meer dan twee katten bij elkaar, vermeerderd met 0,6 m2 voor
iedere kat die het aantal van 5 in het verblijf te boven gaat, waarbij de
kortste zijde tenminste 1 meter en de hoogte vn het binnen- of buitenverblijf
tenminste 1,8 meter is.
2.
In de binnenverblijven zijn vanaf 0,15
meter boven vloerniveau per kat afzonderlijke rustplanken met een lengte van
tenminste 0,35 meter en een breedte van tenminste 0,20 meter aanbracht.
Artikel 14
1.
In afwijking van
artikel 11, tweede en derde lid, wordt:
a.
een in een quarantaineruimte ondergebrachte hond of kat solitair gehuisvest;
b.
een hond of kat solitair gehuisvest
Wanneer de gezondheid of het welzijn van de hond of kat of van de andere honden
of katten dit vereist.
2.
In afwijking van
artikel 12, tweede lid, is bij solitaire huisvesting de beschikbare ruimte
voor een hond:
a.
met een schofthoogte tot 0,3 meter
tenminste 2 m2 aan vloeroppervlakte, waarbij de kortste zijde tenminste 1 meter
en de hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 1,8 meter is;
b.
met een schofthoogte vanaf 0,3 meter tot
0,5 meter tenminste 2,4 m2 aan vloeroppervlakte, waarbij de kortste zijde
tenminste 1,2 meter en de hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 1,8
meter is;
c.
met een schofthoogte vanaf 0,5 meter
tenminste 3 m2 aan vloeroppervlakte, waarbij de kortste zijde tenminste 1,2
meter en de hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 1,8 meter is.
3.
Bij solitaire huisvesting is de
beschikbare ruimte voor een kat tenminste 0,47 m2 aan
vloeroppervlakte, waarbij de kortste zijde tenminste 0,65 meter en de hoogte van
het binnen- of buitenverblijf tenminste 0,6 meter is.
4.
Bij solitaire huisvesting is de
beschikbare ruimte voor een kater die voor fokdoeleinden gehouden wordt
tenminste 6 m2, waarbij de kortste zijde tenminste 1 meter en de
hoogte van het binnen- of buitenverblijf tenminste 1,8 meter is.
Artikel 15
1.
Iedere drachtige of zogende hond of kat heeft in een binnenverblijf de
beschikking over een nestruimte.
2.
De kortste zijde van de nestruimte,
bedoeld in het eerste lid, heeft een lengte van tenminste 2 maal de schofthoogte
van de hond of kat waarvoor de nestruimte bestemd is.
3.
Iedere hond heeft in een binnen- of buitenverblijf de beschikking over een
schone en droge ligplaats die vanuit de bodem van het verblijf optrekkende kou
isoleert.
Artikel 16
Voor de berekening van de beschikbare
vloeroppervlakte voor de honden of katten, bedoeld in de
artikelen 12 en
13, worden de niet gespeende honden of katten die zich bij hun moeder
bevinden niet meegerekend.
Artikel 17
Een hond wordt in de gelegenheid gesteld
om tenminste twee uur per dag in een buitenverblijf of op een speelweide als
bedoeld in
artikel 8, tweede lid, te vertoeven.
Artikel 18
1.
Een inrichting wordt dagelijks gereinigd en regelmatig en deugdelijk ontsmet.
2.
In ruimten waarin honden en katten zijn
ondergebracht worden geen kadavers bewaard.
§
5. Fokken
Artikel 19
1.
Een kat krijgt binnen een aaneengesloten periode van 12 maanden ten hoogste twee
nesten, met dien verstande dat een kat binnen een aaneengesloten periode van 24
maanden ten hoogste 3 nesten krijgt.
2.
Een hond krijgt binnen een
aaneengesloten periode van 12 maanden ten hoogste één nest.
§
6. Identificatie en inenting van in bedrijfsinrichtingen of asielen gehouden
honden of katten
Artikel 20
1.
Binnen 5 werkdagen na ontvangst van een hond of kat in een bedrijfsinrichting of
asiel wordt, voorzover dat nog niet is geschied, de hond of kat voorzien van
een, door Onze Minister op aanvraag verstrekt, uniek identificatienummer door
middel van:
a.
tatoeage op de binnenkant van het oor, of
b.
door een door Onze Minister op aanvraag
verstrekte transponder in het midden van de linkerzijkant van de hals of dorsaal
tussen de schouderbladen.
2.
Binnen zeven weken na de geboorte van
een hond of kat in een bedrijfsinrichting of asiel, doch in ieder geval vóór
aflevering, wordt een hond of kat overeenkomstig het eerste lid voorzien van een
uniek identificatienummer.
3.
Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing op honden of katten die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit in een bedrijfsinrichting of asiel worden gehouden en die niet ingevolge
het Honden- en Kattenbesluit 1981 zijn
geïdentificeerd, met dien verstande dat deze dieren binnen twee maanden na het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit moeten zijn geïdentificeerd.
4.
Onze Minister verstrekt slechts
identificatienummers als bedoeld in het eerste lid aan bedrijfsinrichtingen of
asielen die ingevolge
artikel 5, eerste lid, zijn geregistreerd.
5.
Onze Minister kan ter uitvoering van het
eerste lid bij ministeriële regeling nadere regels stellen.
Artikel 21
1.
Binnen 5 werkdagen na ontvangst van een hond of kat in een bedrijfsinrichting of
asiel wordt, voorzover dat nog niet is geschied, de hond ingeënt tegen
parvovirusinfectie en hondenziekte (ziekte van Carré) en de kat tegen
kattenziekte (infectieuze gastro-enteritis) en niesziekte.
2.
Binnen zeven weken na de geboorte van
een hond of kat in een bedrijfsinrichting of asiel, doch in ieder geval 7 dagen
vóór aflevering, wordt een hond of kat ingeënt tegen de in het eerste lid
genoemde ziekten.
3.
In een asiel wordt een hond of kat
waarvan het aannemelijk is dat deze niet tegen één of meerdere van de in het
eerste lid genoemde ziekten is ingeënt, onmiddellijk na ontvangst in de
quarantaineruimte geplaatst tot tenminste zeven dagen nadat de in het eerste lid
bedoelde inentingen of ontbrekende inentingen hebben plaatsgevonden. De hond of
kat mag het asiel gedurende die periode niet verlaten tenzij het de teruggave
aan de eigenaar betreft.
4.
Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing op honden of katten die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit in een bedrijfsinrichting of asiel worden gehouden en niet tegen één of
meerdere van de in dat lid genoemde ziekten zijn ingeënt.
5.
Een door een dierenarts opgemaakt en
afgegeven schriftelijk bewijs van inenting dat betrekking heeft op de inentingen
die overeenkomstig het eerste of tweede lid zijn aangebracht en waarop diens
naam en praktijkadres en de inentingsdatum staan vermeld, wordt gedurende de
periode dat desbetreffende hond of kat in de bedrijfsinrichting of in het asiel
verblijft in de inrichting bewaard; op dit bewijs worden tevens het
registratienummer van de inrichting en het identificatienummer van de hond of
kat vermeld.
6.
Met het in het vijfde lid bedoelde
bewijs van inenting wordt gelijkgesteld een dierenpaspoort dat ingevolge het
Honden- en Kattenbesluit 1981 voor
desbetreffende hond of kat is afgegeven en dat is aangevuld met de gegevens die
ingevolge dat lid op het bewijs van inenting moeten worden vermeld, voorzover
die gegevens geen deel uitmaken van het dierenpaspoort.
§
7. Voorschriften inzake verkoop en aflevering
Artikel 22
Bij de aflevering van een hond of kat
vanuit een bedrijfsinrichting of asiel wordt aan de koper of de verwerver van de
hond of kat het in
artikel 21, vijfde lid, bedoelde bewijs van inenting verstrekt.
Artikel 23
1.
Degene die op een bedrijfsinrichting of
asiel verantwoordelijk is voor de in
artikel 2, eerste lid, genoemde activiteiten draagt er zorg voor dat elk
kalenderjaar telkens uiterlijk op 30april, 31juli, 31oktober en 31januari
aan Onze Minister het aantal honden of katten wordt gemeld, onder opgave van het
registratienummer van de inrichting, het ras, geslacht en identificatienummers
van de desbetreffende honden of katten, de datum waarop de desbetreffende honden
en katten van identificatienummers zijn voorzien en zijn ingeënt, alsmede de
datum van ontvangst, aflevering en van geboorte en overlijden van de
desbetreffende honden en katten, dat in het kwartaal voorafgaand aan de
eerdergenoemde data:
a.
is verkocht of vanuit de inrichting is
afgeleverd, onder opgave van de identificatienummers van de moederdieren
voorzover ingevolge dit besluit of het Honden- en Kattenbesluit 1981 de
moederdieren van desbetreffende honden of katten zijn geïdentificeerd, en Wanneer
is verkocht of afgeleverd aan een geregistreerde bedrijfsinrichting of asiel,
tevens het registratienummer van die inrichting;
b.
op de inrichting is ontvangen of
geboren, onder opgave van de identificatienummers van de moerderdieren voorzover
ingevolge dit besluit of het Honden- en Kattenbesluit 1981 de moederdieren van
desbetreffende honden of katten zijn geïdentificeerd, en Wanneer wordt ontvangen
van een geregistreerde bedrijfsinrichting of asiel, tevens het registratienummer
van die inrichting;
c.
op de laatste dag van het desbetreffende
kwartaal in de inrichting werd gehouden, en
d.
in de inrichting is gestorven.
2.
De in het eerste lid bedoelde gegevens
worden door Onze Minister opgeslagen en beheerd in een centraal register.
3.
Aan het eerste lid wordt voor de eerste
maal voldaan binnen 8 weken nadat de inrichting overeenkomstig dit besluit is
aangemeld.
§
8. Inbewaringneming in een pension
Artikel 24
1.
Een hond of kat wordt slechts in een pension in bewaring genomen Wanneer bij de
afgifte van de hond of kat een door een dierenarts afgegeven schriftelijk bewijs
van inenting wordt verstrekt, waarop diens naam en praktijkadres staan vermeld
en waaruit blijkt dat tenminste 7 dagen vóór de inontvangstname:
a.
de hond is ingeënt tegen
parvovirusinfectie en hondenziekte (ziekte van Carré);
b.
de kat is is ingeënt tegen kattenziekte (infectieuze gastro-enteritis) en
niesziekte.
2.
In afwijking van het eerste lid is het toegestaan een hond of kat in bewaring te
nemen zonder dat daarbij het in dat lid bedoelde bewijs wordt verstrekt Wanneer:
a.
de hond of kat binnen 5 erkdagen na ontvangst, wordt ingeënt tegen de in het
eerste lid genoemde ziekten, en
b.
de honde of kat onmiddellijk na ontvangst in de quarantaineruimte wordt
geplaatst tot tenminste zeven dagen nadat inenting heeft plaatsgevonden.
3.
Met het in het eerste lid bedoelde schriftelijke bewijs wordt gelijkgesteld een
dierenpaspoort dat ingevolge het Honden- en
Kattenbesluit 1981 voor desbetreffende hond of kat is afgegeven en dat is
aangevuld met de gegevens die ingevolge dat lid op het bewijs van inenting
moeten worden vermeld, voorzover die gegevens geen deel uitmaken van het
dierenpaspoort.
§ 9. Overige bepalingen
Artikel 25
1.
De gegevensverstrekking aan Onze Minister ingevolge de
artikelen 4, tweede lid,
6, eerste lid,
7, tweede lid, en
23 geschiedt door gebruik van door Onze Minister daartoe vastgestelde
formulieren.
2.
De onderscheiden formulieren, bedoeld in het eerste lid, worden door Onze
Minister op aanvraag verstrekt.
3.
Onze Minister kan ter uitvoering van het
eerste lid bij ministeriële regeling nadere regels stellen, waarbij onder meer
kan worden bepaald dat het verstrekken van gegevens ingevolge
artikel 23 op een andere wijze geschiedt.
Artikel 26
1.
Binnen 8 weken nadat aanmelding van de inrichting overeenkomstig dit besluit
heeft plaatsgevonden, wordt door of namens degene die op de inrichting
verantwoordelijk is voor de in
artikel 2, eerste lid, genoemde activiteiten een register bijgehouden waarin
de inentingsbewijzen van de in de inrichting aanwezige honden of katten, het
aanmeldingsbewijs, bedoeld in
artikel 5, derde lid, en een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid van de
beheerder van de inrichting worden opgenomen.
2.
Vanaf het tijdstip dat een hond of kat
niet meer in de inrichting aanwezig is omdat de hond of kat is verkocht,
afgeleverd, overleden of aan de eigenaar is teruggeven, wordt gedurende drie
jaar na dat tijdstip een kopie van het inentingsbewijs van desbetreffende hond
of kat in een afgescheiden onderdeel van het in het eerste lid bedoelde register
bewaard.
Artikel 27
De
artikelen 8, tweede en vierde lid, onderdeel d,
17,
21,
22 en
26 zijn niet van toepassing Wanneer
artikel 11a van de Wet op de dierproeven op de inrichting van toepassing is.
§
10. Overgangsbepalingen
Artikel 28
Het is vanaf de inwerkingtreding van dit
besluit voor een tijdvak van 2 maanden toegestaan de in
artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten te verrichten op een op het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bestaande inrichting, mits degene
die binnen dat tijdvak op de inrichting verantwoordelijk is voor de in
artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten binnen 2 maanden na de
inwerkingtreding van dit besluit de inrichting overeenkomstig dit besluit
aanmeldt.
Artikel 29
1.
Mits vanaf de inwerkingtreding van dit besluit de honden of katten in
binnenverblijven met passende afmetingen zijn gehuisvest, zijn de
artikelen 8, tweede en derde lid, onderdeel c, vierde lid, onderdeel d, vijfde
lid,
9,
11, tweede en derde lid,
12,
13,
14, tweede lid,
15, eerste en tweede lid, en
17 voor een tijdvak van 10 jaar vanaf de inwerkingtreding van dit besluit
niet van toepassing op een inrichting, Wanneer degene onder wiens
verantwoordelijkheid de in
artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten op die inrichting worden
verricht, aantoont dat:
a.
de inrichting vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is genomen
en nadien niet is verbouwd of herbouwd, en
b.
bij de aanmelding overeenkomstig artikel
28 tevens een ingevolge het Honden- en Kattenbesluit 1981 verleende vergunning
is overgelegd, waarvan de geldigheid op het tijdstip van inwerkingtreding van
dit besluit niet is verstreken en die betrekking heeft op de activiteiten die in
de inrichting vanaf de inwerkingtreding van dit besluit worden verricht.
2.
De in het eerste lid bedoelde artikelen zijn voor een tijdvak van 3 jaar vanaf
de inwerkingtreding van dit besluit niet van toepassing op een in het eerste lid
bedoelde inrichting, Wanneer bij de aanmelding overeenkomstig
artikel 28 geen vergunning als bedoeld in het eerste lid is overgelegd.
3.
Onze Minister vermeldt op het aanmeldingsbewijs, bedoeld in
artikel 5, derde lid, of bij de aanmelding overeenkomstig
artikel 28 een vergunning als bedoeld in het eerste lid is overgelegd.
Artikel 30
Artikel 7, eerste lid, is voor een tijdvak van 3 jaar vanaf de
inwerkingtreding van dit besluit niet op een inrichting van toepassing, Wanneer
degene onder wiens verantwoordelijkheid de in
artikel 2, eerste lid, bedoelde activiteiten op die inrichting worden
verricht, aantoont dat:
a.
de inrichting vóór het tijstip van inwerkingtreding van dit besluit in gebruik
is genomen;
b.
hij op de inrichting als beheerder
werkzaam is en een opleiding volgt op grond waarvan deze in aanmerking kan komen
voor de verkrijging van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, en
c.
voorzover hij binnen het vermelde
tijdvak verantwoordelijk blijft voor de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
activiteiten die op de inrichting worden verricht.
§
11. Slotbepalingen
Artikel 31
Het
Honden- en Kattenbesluit 1981 wordt ingetrokken.
Artikel 32
Dit besluit treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen
voordat 30 dagen zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan
beide kamers der Staten-Generaal, en evenmin Wanneer binnen die termijn door of
namens een der kamers of door tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal
leden van een der kamers de wens ter kennen wordt gegeven dat de
inwerkingtreding van dit besluit bij wet wordt geregeld.
Artikel 33
Dit besluit wordt aangehaald als:
Honden- en kattenbesluit met vermelding van het jaartal van het Staatsblad
waarin het zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.
's-Gravenhage, 11 januari 1999
Beatrix
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,
H. H. Apotheker
Uitgegeven de vierde februari 1999
|